faalangst
Faalangst
Ik kan dit niet .......
Vorig week kreeg Jasper een zeven voor rekenen op zijn rapport. Hij was aardig ontgoocheld. Vandaag bracht hij een nieuw rekenblad mee van school: huiswerk. 'Mama, ik kan dat niet', zuchtte hij voortdurend.
Faalangst betekent bang zijn om bij een taak te falen: toetsen, examens, erbij horen, over de bok springen Die angst kan kinderen blokkeren: ze doen niks meer, haken af. Bij andere kinderen zorgt de angst ervoor dat ze nog harder werken, geen afstand kunnen nemen, zich nooit ontspannen. Nog anderen wisselen hard werken en stilvallen af.
Eén op tien kinderen leidt aan een vorm van faalangst: vooral kinderen met weinig zelfvertrouwen. Meer meisjes dan jongens.
Meer informatie vind je in dit dossier opgemaakt door Ilse Dewitte,orthopedagoog en kinder- en jongerentherapeut.
Folders
Een folder over faalangst van GGD Groningen.
School : te traag werken
Het tempo van kinderen voor schoolse taken opdrijven heeft inderdaad als nadeel dat dit stress met zich mee kan brengen, evenals tegenzin voor school en schoolse taken. Vandaar is het beter om zijn huidige tempo niet te verhogen maar hem wel hierin te ondersteunen. Mogelijks heeft u zoon het moeilijk om een overzicht te houden op de taken die hij moet doen en is hij daarom wat trager.
Er zijn een aantal zaken die u kan doen om uw zoon te ondersteunen en om ervoor te zorgen dat hij een beter overzicht krijgt over wat hij allemaal moet doen.
- Stap voor stap
Je kan je zoon stap voor stap uitleggen wat er van hem wordt verwacht. Bijvoorbeeld bij het ochtendmoment kan je hem verbaal ondersteunen door aan te geven wat hij eerst moet doen en wat daarna. Als je elke dag dezelfde volgorde gebruikt wordt het na verloop van tijd een routine en zal hij dit gewoon raken en jouw ondersteuning niet meer nodig hebben.
- Leg zo specifiek mogelijk uit
Wanneer je iets verwacht, stel de vraag dan zo duidelijk en specifiek mogelijk.
Je kan dan bijvoorbeeld vragen: ‘Maak eerst de eerste opdracht van je taak en daarna de tweede opdracht.’ in plaats van ‘Maak je huiswerk!’
Ook dit heeft te maken met overzicht. Het is mogelijk dat jouw zoon zoveel informatie ziet op zijn takenblad, dat hij niet weet waar te beginnen.
- Overzichtelijke taken
Het is mogelijk dat jouw zoon trager werkt omdat er misschien te veel oefeningen op één blad staan.Wanneer jouw zoon thuis huiswerk maakt, kan je dit nagaan door bijvoorbeeld een A4 blad te nemen en hier vijf oefeningen op te schrijven, met voldoende plaats tussen alle oefeningen. Indien hij op deze manier vlotter werkt, kan je met de school praten en vragen of het mogelijk is om de opdrachten voor hem overzichtelijker te maken.
- Taken beperken
Je kan ook aan de school vragen of het mogelijk is om de taken van je zoon te beperken (tien rekenoefeningen in plaats van vijftien). Op deze manier staat je zoon minder onder druk om alles op tijd af te krijgen.
Het op tijd kunnen afwerken van een taak, heeft dan een positieve invloed op het zelfbeeld van jouw zoon.
- Geef tijd
Zowel thuis als op school moet je zoon de tijd krijgen om zijn taken te maken. Want indien hij wordt beperkt in tijd kan hij zich gefrustreerd voelen. Dit gevoel kan dan een invloed hebben op zijn humeur/gedrag en op het resultaat van de opdracht.
- Help opdrachten bij te houden
Indien je ziet dat je zoon het ook moeilijk heeft met het bijhouden van nota’s en taken, kan je hem hierbij ondersteunen door bijvoorbeeld samen elke dag zijn agenda te overlopen.
Je kan dan samen een “to do”-lijstje maken. Op een blad noteer je welke taken je zoon allemaal moet maken. Hij werkt dit lijstje dan af en telkens wanneer hij een taak heeft afgewerkt kan hij er bijvoorbeeld een streep door trekken.
Voor taken en toetsen op langere termijn, kan je een tijdsschema maken. Op die manier leert je zoon ook beter om tijd in te schatten.
U vertelde ook dat de juf zei dat jouw zoon iets te perfectionistisch zou zijn. Je zoon heeft misschien schrik om te falen. Omdat dit toch veel stress met zich meebrengt, kan je je zoon duidelijk maken dat falen en fouten maken in het algemeen mag. Geef aan dat iedereen fouten maakt, ook mama en de juf.
Wat kan je doen?
Wiens schuld is het?
Faalangst is niet de schuld van de ouders, van de school, van het kind of de jongere zelf. Niemand is schuldig maar meerdere factoren kunnen, in onderlinge wisselwerking, een rol spelen. Faalangst wordt beïnvloed – vermeerderd of verminderd – door bepaalde kenmerken van een kind, van de opvoeding, de school maar evenzeer van de bredere maatschappij. Het is dus niet onze schuld maar we zitten er wel voor iets tussen. Dit betekent ook dat we er iets aan kunnen doen, dat we een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van faalangst. Ideaal is natuurlijk om faalangst te voorkomen. Bouwen aan zelfvertrouwen begint van jongs af aan. Kinderen moeten ervaren dat ze iemand zijn ook zonder bepaalde prestaties. Ouders en leerkrachten moeten aangeven dat het niet steeds om méér of beter moet gaan, maar dat het ook ‘goed genoeg’ kan zijn. Erg belangrijk is dat jongeren zelf ervaren dat ze best oké zijn. Ze moeten vertrouwen opbouwen in zichzelf met hun vaardigheden en beperkingen, doorheen wat ze kunnen en minder goed kunnen. Complimentjes van volwassenen (ouders, leerkrachten, trainers) zijn voor élk kind belangrijk, maar bijna even belangrijk zijn de complimentjes die men aan zichzelf geeft.
Het voorbeeld van volwassenen
Het model dat volwassenen stellen kan belangrijk zijn in het ontwikkelen van faalangst. Vinden wij onszelf als ouder of als leerkracht goed genoeg of ‘moet’ het ook steeds beter en meer. Moeten we op een avond én vers koken én strijken én de bedden verschonen én het huiswerk nakijken én de bankzaken in orde brengen én een uur naar de fitness? Of kunnen we aan tafel de restjes eten van de vorige dag en klussen laten wachten om eens met z’n allen gezellig naar een film te kijken. Moet een kind én tennissen én toneel spelen én naar de jeugdbeweging of mag één activiteit volstaan zodat er nog rustige speeltijd thuis overblijft. Mogen prestaties op school, in sport of muziekexamen ook voldoende zijn of moet het steeds beter. Moeten de resultaten van een toets in de klas luidop meegedeeld worden waardoor kinderen met elkaar gana vergelijken of vergeleken worden? Of vergelijken we een kind met zichzelf? Als we prijzen willen uitdelen, zorgen we er dan voor dat er een prijs is voor iedereen? Mogen wij als ouder of leerkracht zelf fouten maken en iets niet kennen/kunnen of moeten we ons hiervoor schamen? Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan in onze huidige maatschappij vol wedstrijden, trofeeën, topchefs in de keuken en de meest succesvolle bedrijfsleider van het jaar. Ouders en leerkrachten moeten realistisch zijn. Wat is haalbaar voor dit kind met deze mogelijkheden? Telkens moeten presteren op een niveau dat te hoog gegrepen is, lokt vanzelfsprekend faalangst uit.
De cirkel doorbreken
Als kinderen lijden onder faalangst moet er eerst gewerkt worden aan hoe ze over zichzelf denken. Ze moeten leren dat hun denken bepaalt hoe ze zich voelen. Het denken en voelen beïnvloeden op hun beurt het handelen. Zolang een leerling blijft denken dat hij op een wiskunde-examen nooit zal slagen, voelt hij zich bang en onzeker en zal hij alsmaar meer studeren en oefenen in de hoop het wel te halen. Of net omgekeerd: uit angst studeert hij niet en weet dan waarom hij een onvoldoende behaalt. Doorsnee pubers schrijven een succes aan zichzelf toe en een mislukking aan factoren buiten zichzelf. Bij een 6 op 10 prijzen ze zichzelf want ‘wat heb ik dat goed gedaan, ik ben de enige die geslaagd is (denk ik)’. Bij een 3 op 10 was het een veel te moeilijke test of een slechte leerkracht, ofwel was íedereen gebuisd! Kinderen en jongeren met faalangst denken net andersom. Ze behalen een 9 op 10 omdat ze ‘puur geluk hadden met de vragen of omdat het een super eenvoudig stukje leerstof was’. Een 5 op 10 betekent dat ze ‘dom zijn, er niets van kunnen en het ook nooit zullen kunnen; zelfs de slechtste van de klas had meer’.
Neem het voorbeeld van een student die denkt dat het studeren geen effect heeft op zijn prestaties. Hij loopt nog liever het gevaar een 0 te krijgen door spieken dan een 4 door vooraf te werken. Maar uiteindelijk zal hij zich machteloos en waardeloos voelen en daarom ook niet studeren. Hij zit gevangen in een negatieve cirkel van denken-voelen-handelen. Samen deze cirkel ontleden en leren te doorbreken zal een belangrijk onderdeel zijn in de aanpak van faalangst. Kan ik misschien ook iets anders denken en zou dit me een ander gevoel kunnen geven wat dan uitmondt in een andere aanpak? Ga ik er vanuit dat ik 100% zeker ben in mijn voorspeling van niet te zullen slagen of durf ik deze ‘zekerheid uit te dagen? Ik kan ook anders denken: er is zeker een gedeelte van de leerstof dat ik snap en waar ik wel punten op kan halen. Dan wordt die toets of dat examen niet noodzakelijk een ramp.
Inspanning en ontspanning
Een actief faalangstig kind moet leren dat er na elke inspanning ook ontspanning volgt. Een passief faalangstige jongere zal moeten leren dat er naast ontspanning ook inspanning moet zijn. Dit zullen ouders en leerkrachten mee moeten sturen. Soms moet ontspanning of inspanning opgelegd worden. Niet zelden moeten ouders hun kind verplichten om naar de hobby of sportclub te vertrekken. Ouders of leerkrachten van passief faalangstige leerlingen moeten soms eerst naast hen gaan zitten en samen studeren of de huistaak maken om zo een ommekeer te bewerken in de leer/werkhouding van de leerling. Een verandering, zeker bij angstige kinderen, vraagt een gedoseerde aanpak, stap voor stap. Het kan bijvoorbeeld al voldoende zijn om te beginnen met vijf minuten vroeger te stoppen met studeren of tevreden te zijn dat er al vijf minuten gestudeerd wordt!
De inspanning belonen en niet het resultaat
Ouders en leerkrachten moeten bij voorkeur aandacht hebben voor de wijze waarop een leerling tot het behaalde resultaat is gekomen, veeleer dan aandacht te geven aan het resultaat op zich. Een 9 op 10 van een actief faalangstig meisje kan immers het resultaat zijn van overdreven studeren, terwijl een 4 op 10 al een overwinning kan betekenen voor een passief faalangstige jongen die voor het eerst tot een half uur studeren kwam. We moeten het gewenste gedrag aanmoedigen. Voor een actief faalangstige leerling betekent dit complimentjes geven als het kind ontspanning neemt en dus durft ‘niet studeren’. Op een passief faalangstige leerling moeten we juist trots zijn als hij zich inspant om een beetje te studeren. Een beoordeling gebeurt dan niet alleen óp het examen maar ook de avond voordien. Hoe is de opdracht aangepakt en ben ik daar tevreden over?
Aanvoelen en begrijpen
Wil je een kind met faalangst helpen, vermijd dan zinnetjes als ‘maar je moet niet bang zijn, het zal wel lukken’ of ‘je hebt het vorige keer toch ook gekund’. Een goede aanpak van leerlingen met faalangst begint met het toelaten en begrijpen van hun angst. ‘Als ik zou denken wat jij denkt, dan zou ik net zo bang zijn, en van daaruit even veel (of even weinig) studeren’. Hun angst zal afnemen als we hen helpen anders te leren denken. ‘Je zal het wel kunnen’ heeft op momenten van intense angst het verkeerde effect. Kinderen en jongeren voelen zich onbegrepen en worden boos of nóg angstiger. Ze hebben dan nood aan iemand die hun angst begrijpt. De kunst bestaat erin samen zinvolle alternatieven te bedenken die het kind kan geloven. ‘Ik heb dit gevoel al vaker gehad en ik weet dat ik weinig zelfvertrouwen heb maar ik wil eraan werken’. ‘Ik denk altijd eerst dat niets zal lukken, maar ik wil benoemen welk deel van de leerstof ik al wél ken’. ‘Ik weet dat een onvoldoende op een toets me verdrietig zal maken, maar ik weet ook dat ik dit verwerken kan en hierin niet alleen sta’. ‘Als ik doe wat ik altijd doe, namelijk helemaal niet leren, dat is pas falen. Elke minuut dat ik studeer is winst, ook al is deze winst niet onmiddellijk in punten uit te drukken’.
Ik ben meer waard dan mijn schoolrapport
Mislukken kan pijnlijk zijn, zoals vallen, maar daarna kan je weer opstaan en verder gaan. Ook al is er een onvoldoende bij een toets of moet een jaartje worden overgedaan, er zit meer in elk kind dan een leercomputer of een puntenmachine. Hij kan heel gevoelig en grappig zijn, zij kan erg zorgzaam en helpend zijn. Waardeer dus de hele persoon en niet alleen de beoordeling op grond van een bepaalde prestatie. Kind, puber, ouder of leerkracht: durf jezelf te verwennen, draag zorg voor jezelf, zomaar los van elke prestatie, gewoon om wie je bent en niet om wat je kan.
Hoe belangrijk is het?
Eigenlijk heeft iedereen wel eens faalangst maar ongeveer 10-15% heeft er last van en gaat er niet op een goede manier mee om. Dit betekent dat er gemiddeld genomen op een klas van 20 leerlingen twee lijden onder faalangst. Dit kan tijdelijk zijn maar zonder goede begeleiding in het omgaan met faalangst kan het levenslang negatieve gevolgen hebben. We zien het dan later bij volwassenen die onvoldoende presteren of niet komen tot het solliciteren voor een job (op hun niveau). Anderen durven geen intieme relaties aan uit schrik niet goed genoeg te zijn. Sommige topsporters kunnen bij een wedstrijd niet tonen waartoe ze echt in staat zijn, want tijdens trainingen presteren ze beduidend beter dan in de competitie.
Faalangst kan ook leiden tot een hele reeks problemen zoals depressie, eetstoornissen, gedragsstoornissen, verslavingen... Daarom is het voorkómen en tijdige aanpakken van het probleem uiterst belangrijk.
Zijn er meer faalangstige kinderen en jongeren dan vroeger? Zoals bij andere problemen worden ze nu sneller herkend en benoemd dan vroeger. Daarnaast valt het niet te ontkennen dat de verwachtingen in onze huidige maatschappij erg zijn toegenomen. Eén diploma is niet goed genoeg. Vlot communiceren in gezelschap en er knap voorkomen zijn belangrijke waarden geworden. Het ideaal, mede gevoed vanuit de media, is levenslang leren en presteren, op alle terreinen in het leven.
Wat is het?
Faalangst is angst om te mislukken. Je bent bang om fouten te maken of iets verkeerd te doen in een situatie waarin je je beoordeeld voelt (door anderen of door jezelf). Je bent bang niet ‘goed genoeg’ te zijn voor je ouders, je leerkrachten, je vrienden of voor jezelf.
Drie soorten faalangst
- Faalangst voor schoolse taken
Kinderen of jongeren zijn bang om te mislukken bij toetsen, examens, het maken van huiswerk, het schrijven van een scriptie... Ze vrezen een fout te maken, niet goed (genoeg) te scoren, te blijven zitten... - Faalangst voor sociale taken
Het gaat om angst in sociale situaties, zoals het geven van een spreekbeurt, het voorlezen voor de klas, het maken van een oefening aan het bord. Het is de angst om uitgelachen te worden, een ‘dom figuur’ te slaan of ‘belachelijk’ over te komen. Deze kinderen en jongeren zijn vooral bezig met ‘wat vinden de anderen van mij en wat zullen ze zeggen/doen als ik iets doms vertel, als ik een fout maak’. - Faalangst voor motorische taken.
Het gaat hier om bang zijn bij sportprestaties, bv. tijdens de turnles, op een sportwedstrijd of bij eerder fijnmotorische taken (praktijklessen, tekenen,...).
Faalangst kan onder twee vormen voorkomen
Elk van de drie soorten faalangst kan op twee manieren tot uiting komen: actief of passief.
- Actieve faalangst
Bij faalangst denken velen spontaan aan de karikatuur van de brave leerling die dat alleen maar met zijn/haar studies bezig is, ontzettend veel studeert en telkens weer zegt: ‘Ik zal het niet kunnen, ik heb slecht gescoord, ik zal slechte punten hebben’, maar uiteindelijk met de beste punten van de klas gaat lopen. Dat is inderdaad een actieve vorm van faalangst. ‘Actief’ betekent dat een leerling er alles aan doet om mislukkingen te voorkomen. Men blijft oefenen vanuit de gedachte: ‘hoe meer ik werk, hoe beter ik scoor, en nu kan ik het nog niet goed genoeg’. Het zijn kinderen/jongeren die erg veel studeren of (te) veel oefenen. Doorgaans zijn ze graag gezien door ouders en leerkrachten omdat ze steeds in orde zijn, alles doen wat verwacht wordt en prima scoren. We vinden iets meer meisjes onder de actief faalangstigen. - Passieve faalangst
De passief faalangstige leerlingen vertonen een heel ander beeld en worden daarom vaak niet herkend als faalangstig. Meestal krijgen ze het etiket van luie, vervelende kinderen of pubers, die veel doen behalve bezig zijn met schoolse taken en prestaties. Ze vertonen meer problematisch gedrag (spijbelen, brutaal reageren, spieken...). Deze kinderen en jongeren hebben het ‘opgegeven’ vanuit de gedachte: ‘werken of niet werken, het maakt geen verschil voor mijn resultaten dus ik kan maar beter niets doen’. Ze blijven passief en studeren niet of zeer weinig. ‘Ik kan beter niets doen, dan weet ik waarom ik slecht scoor, stel je voor dat ik iets doe en dan misluk.’ Deze groep bestaat uit iets meer jongens. Ze willen niet gekend zijn als ‘bange jongens’ en zeker niet voor wat schoolse prestaties betreft.


