Wat kan je doen?

Wiens schuld is het?

Faalangst is niet de schuld van de ouders, van de school, van het kind of de jongere zelf. Niemand is schuldig, maar meerdere factoren kunnen, in onderlinge wisselwerking, een rol spelen. Faalangst wordt beïnvloed – vermeerderd of verminderd – door bepaalde kenmerken van een kind, van de opvoeding, de school maar evenzeer van de bredere maatschappij. Het is dus niemands schuld, maar tegelijk zitten we er met z'n allen wel voor iets tussen. Dat betekent ook dat we er iets aan kunnen doen, dat we een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van faalangst.

Ideaal is natuurlijk om faalangst te voorkomen. Bouwen aan zelfvertrouwen begint van jongs af aan. Kinderen moeten ervaren dat ze iemand zijn, ook zonder bepaalde prestaties. Ouders en leerkrachten kunnen aangeven dat het niet steeds om méér of beter moet gaan, maar dat het ook ‘goed genoeg’ kan zijn. Erg belangrijk is dat jongeren zelf ervaren dat ze oké zijn zoals ze zijn. Ze moeten vertrouwen opbouwen in zichzelf, met hun vaardigheden en beperkingen. Complimentjes van volwassenen (ouders, leerkrachten, trainers) zijn voor élk kind belangrijk, maar bijna even belangrijk zijn de complimentjes die men aan zichzelf geeft.

Jongeren moeten ervaren dat ze oké zijn zoals ze zijn.

Het voorbeeld van volwassenen

Het voorbeeld dat volwassenen stellen kan belangrijk zijn in het ontwikkelen van faalangst. Vinden wij onszelf als ouder of als leerkracht goed genoeg of ‘moet’ het ook steeds beter en meer? Mogen wij als ouder of leerkracht zelf fouten maken en iets niet kennen/kunnen of moeten we ons hiervoor schamen? 

Moeten we op een avond én vers koken én strijken én de bedden verschonen én het huiswerk nakijken én de bankzaken in orde brengen én een uur naar de fitness? Of kunnen we aan tafel de restjes eten van de vorige dag en klussen laten wachten om eens met z’n allen gezellig naar een film te kijken?

Moet een kind én tennissen én toneel spelen én naar de jeugdbeweging of mag één activiteit volstaan zodat er nog rustige speeltijd thuis overblijft? Mogen prestaties op school, in sport of muziekexamen gewoon voldoende zijn, of moet het steeds beter? Moeten de resultaten van een toets in de klas luidop meegedeeld worden waardoor kinderen met elkaar gaan vergelijken of vergeleken worden? Of vergelijken we een kind met zichzelf, om te kijken of het voortuigang boekt binnen zijn/haar mogelijkheden, talenten en beperkingen? Als we prijzen willen uitdelen, zorgen we er dan voor dat er een prijs is voor iedereen?

Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan in onze huidige maatschappij vol wedstrijden, trofeeën, topchefs in de keuken en de meest succesvolle bedrijfsleider van het jaar. Ouders en leerkrachten moeten realistisch zijn. Wat is haalbaar voor dit kind met deze mogelijkheden? Telkens moeten presteren op een niveau dat te hoog gegrepen is, lokt vanzelfsprekend faalangst uit.

De cirkel doorbreken

Als kinderen lijden onder faalangst, dan moet er eerst gewerkt worden aan hoe ze over zichzelf denken. Ze moeten leren dat hun denken bepaalt hoe ze zich voelen. Het denken en voelen beïnvloeden op hun beurt het handelen. Zolang een leerling blijft denken dat hij op een wiskunde-examen nooit zal slagen, voelt hij zich bang en onzeker en zal hij alsmaar meer studeren en oefenen in de hoop het wel te halen. Of net omgekeerd: uit angst studeert hij niet en weet dan waarom hij een onvoldoende behaalt.

Doorsnee pubers schrijven een succes aan zichzelf toe en een mislukking aan factoren buiten zichzelf. Bij een 6 op 10 prijzen ze zichzelf want ‘wat heb ik dat goed gedaan, ik ben de enige die geslaagd is (denk ik)’. Bij een 3 op 10 was het een veel te moeilijke test of een slechte leerkracht, ofwel was íedereen gebuisd!

Kinderen en jongeren met faalangst denken net andersom. Ze behalen een 9 op 10 omdat ze ‘puur geluk hadden met de vragen of omdat het een super eenvoudig stukje leerstof was’. Een 5 op 10 betekent dat ze ‘dom zijn, er niets van kunnen en het ook nooit zullen kunnen; zelfs de slechtste van de klas had meer’.

Neem het voorbeeld van een student die denkt dat het studeren geen effect heeft op zijn prestaties. Hij loopt nog liever het gevaar een 0 te krijgen door spieken dan een 4 door vooraf te werken. Maar uiteindelijk zal hij zich machteloos en waardeloos voelen en daarom ook niet studeren. Hij zit gevangen in een negatieve cirkel van denken-voelen-handelen.

Samen deze cirkel ontleden en leren te doorbreken is een belangrijk onderdeel in de aanpak van faalangst. Kan ik misschien ook iets anders denken en zou dit me een ander gevoel kunnen geven? Kan dit ervoor zorgen dat ik dingen anders kan of durf aanpakken? Ga ik ervan uit dat ik 100% zeker ben in mijn voorspelling niet te zullen slagen, of durf ik deze ‘zekerheid' uit te dagen? Ik kan ook anders denken: er is zeker een gedeelte van de leerstof dat ik snap en waar ik wel punten op kan halen. Dan wordt die toets of dat examen niet noodzakelijk een ramp.

Inspanning en ontspanning

Een actief faalangstig kind moet leren dat er na elke inspanning ook ontspanning volgt. Een passief faalangstige jongere zal moeten leren dat er naast ontspanning ook inspanning moet zijn. Dit zullen ouders en leerkrachten mee moeten sturen.

Soms moet ontspanning of inspanning opgelegd worden. Niet zelden moeten ouders hun kind verplichten om naar de hobby of sportclub te vertrekken. Ouders of leerkrachten van passief faalangstige leerlingen moeten soms eerst naast hen gaan zitten en samen studeren of de huistaak maken om zo een ommekeer te bewerken in de leer/werkhouding van de leerling.

Een verandering, zeker bij angstige kinderen, vraagt een gedoseerde aanpak, stap voor stap. Het kan bijvoorbeeld al voldoende zijn om te beginnen met vijf minuten vroeger te stoppen met studeren of tevreden te zijn dat er al vijf minuten gestudeerd wordt!

De inspanning belonen en niet het resultaat

Ouders en leerkrachten kunnen aandacht hebben voor de wijze waarop een leerling tot het behaalde resultaat is gekomen, in en niet enkel aandacht te geven aan het resultaat op zich. Een 9 op 10 van een actief faalangstig meisje kan immers het resultaat zijn van overdreven studeren, terwijl een 4 op 10 al een overwinning kan betekenen voor een passief faalangstige jongen die voor het eerst tot een half uur studeren kwam. Vooral door te kijken naar de wijze waarop een resultaat behaald wordt, kan het gewenste gedrag aangemoedigd worden.

Voor een actief faalangstige leerling betekent dit complimentjes geven als het kind ontspanning neemt en dus durft ‘niet studeren’. Op een passief faalangstige leerling moeten we juist trots zijn als hij zich inspant om een beetje te studeren. Een beoordeling gebeurt dus best niet alleen óp het examen maar ook de avond voordien. Hoe is de opdracht aangepakt en ben ik daar tevreden over?

Mislukken kan pijnlijk zijn, maar daarna kan je weer opstaan en verder gaan.

Aanvoelen en begrijpen

Wil je een kind met faalangst helpen, vermijd dan zinnetjes als ‘maar je moet niet bang zijn, het zal wel lukken’ of ‘je hebt het vorige keer toch ook gekund’. Een goede aanpak van leerlingen met faalangst begint met het toelaten en begrijpen van hun angst. ‘Als ik zou denken wat jij denkt, dan zou ik net zo bang zijn, en van daaruit even veel (of even weinig) studeren’.

‘Je zal het wel kunnen’ heeft op momenten van intense angst het verkeerde effect. Kinderen en jongeren voelen zich onbegrepen en worden boos of nóg angstiger. Ze hebben dan nood aan iemand die hun angst begrijpt. De kunst bestaat erin samen zinvolle alternatieven te bedenken die het kind kan geloven. Hun angst zal afnemen als we hen helpen anders te leren denken.‘Ik heb dit gevoel al vaker gehad en ik weet dat ik weinig zelfvertrouwen heb maar ik wil eraan werken’. ‘Ik denk altijd eerst dat niets zal lukken, maar ik wil benoemen welk deel van de leerstof ik al wél ken’. ‘Ik weet dat een onvoldoende op een toets me verdrietig zal maken, maar ik weet ook dat ik dit verwerken kan en hierin niet alleen sta’. ‘Als ik doe wat ik altijd doe, namelijk helemaal niet leren, dat is pas falen. Elke minuut dat ik studeer is winst, ook al is deze winst niet onmiddellijk in punten uit te drukken’.

Ik ben meer waard dan mijn schoolrapport

Mislukken kan pijnlijk zijn, zoals vallen, maar daarna kan je weer opstaan en verder gaan. Ook al is er een onvoldoende bij een toets of moet een jaartje worden overgedaan, er zit meer in elk kind dan een leercomputer of een puntenmachine. Hij kan heel gevoelig en grappig zijn, zij kan erg zorgzaam en helpend zijn. Waardeer dus de hele persoon en niet alleen de beoordeling op grond van een bepaalde prestatie. Kind, puber, ouder of leerkracht: durf jezelf te verwennen, draag zorg voor jezelf, zomaar los van elke prestatie, gewoon om wie je bent en niet om wat je kan.

donderdag, oktober 22, 2015 - 10:32

Ondersteuning in je buurt

Zoek je steun bij het opvoeden van kinderen? Je kan ook in je eigen buurt terecht. Zoek hieronder via postnummer.

Zoek